Welkom in de Tuin van God
Categorieën
Tuin van God!
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Meer van Beloved Daughter:

    Afgesloten Hof

    Beautiful Place

    Beloved Court

    Beloved Daughter

    Beloved Garden

    Beloved Place

    Beloved Woman

    Bride of Christ

    Daughter of Christ

    Deserted Place

    Desolate Place

    God's garden

    Holy Place

    Hooglied

    Lonely PLace

    Lovely Garden

    Oase

    Resting Place

    Rose of Love

    Prince of Peace

    Schuilgrot

    Tuin van God

    Toevluchtsoord

    Vreugdebron

    Vredevorst

 

  

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
092landschap1.gif
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Stream
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
4.gif picture by riaRIJKERS2
 
 

 

 

 

Laatste artikelen

 

 
 
 
Hoe gaat het met je ?

Ik wilde je toch even schrijven om je te laten weten hoeveel Ik van je houd. Ik zal je gisteren nog toen je met je vriend praatte. Ik heb de hele dag gewacht, want Ik hoopte maar dat je ook met Mij wilde praten. Toen het avond werd, gaf Ik je een koele wind, zodat je kon rusten en Ik wachtte, maar je kwam niet. Ik zag je inslapen en verlangde ernaar om je wenkbrauwen aan te raken; dus liet Ik het maanlicht op je kussen en je gezicht vallen. Opnieuw wachtte Ik af, verlangend om voor je te komen; zodat we zouden kunnen praten. Ik heb zoveel dingen die Ik je wil geven. Toen werd je weer wakker en haastte je naar je werk. Mijn tranen waren in de regen.

Vandaag zag je er zo bedroefd uit, zo alleen. Het doet Mijn hart pijn, want Ik weet hoe je je voelt. Mijn vrienden lieten Mij in de steek en deden Me vaak pijn. Maar ik houd van jou ! Och, als je alleen naar Me wilde luisteren. IK HOUD VAN JE.

Dat probeer ik je te vertellen in de blauwe lucht en het groene gras. Ik fluister het door de bladeren van de bomen en adem het door de kleur van de bloemen. Ik schreeuw het naar je door de bergrivieren en geef aan de vogels een liefdeslied om voor jou te zingen. Ik omhulde je met warme zonneschijn en Ik parfumeerde de wind met de geur van de natuur. Mijn liefde voor jou is dieper dan de oceaan, hoger dan de bergen en groter dan de hoogste nood van je hart. Och als je alleen maar wist, hoe ik ernaar verlang om met je te wandelen en met je te praten.

Ik weet hoe moeilijk het is hier op aarde. Ja, ik weet het echt en Ik wil je zo graag helpen. Ik zou het fijn vinden als je Mijn vader zou ontmoeten. Hij wil jou ook helpen, net als Ik, Zo is Mijn Vader nu helemaal.

Roep Me, vraag Me, praat met Me. Ik heb zo ontzettend veel met je te delen. Ik zal je niet langer lastig vallen. Je bent vrij om te kiezen. Ik heb al voor jou gekozen. Daarom blijf Ik wachten ... Omdat ik van je houd.

Je vriend Jezus

 


Lees meer...
 
 
 
Garden of Secrets Lyrics

Title track from the album Garden of Secrets.

Originally written in Hebrew. From: Shani Ferguson
Inspired from the romance in the Song of Solomon.



There's a garden it's full of secrets
He is calling me to come in
He takes my hand and draws me in

He is watching and beckoning me
eyes that whisper mysteries
of a lover king who has chosen me
oh this lover king

My heart is pounding in my chest
from words he speaks when love's expressed
his nearness takes away my breath

His arms wrap around me in perfect embrace
in the garden we dance and he lifts up my face
and my heart it melts as I gaze in the eyes of my love

His words are a balm healing pain from the past
from the lovers I had that I knew wouldn't last
and my heart is swept away by the depth of this love

His words are a balm healing pain from the past
from the lovers I had that I knew wouldn't last
and I will rest in this love forever


Stefan Mihaescu and Shani Ferguson
 
 
 

 
























Lees meer...
 
 
 
De bruid van Christus
 
  Een afgesloten hof zijt gij,
mijn zuster, bruid,
 een afgesloten wel,
een verzegelde bron.
 Wat uit u opspruit,
is een lusthof van granaatappelbomen,
 met kostelijke vruchten,
 hennabloemen en nardusplanten,
 nardus en saffraan,
kalmus en kaneel,
 met allerlei wierookstruiken,
 mirre en aloë,
 met al de kostbaarste specerijen.
 Fontein der hoven,
bron van levend water,
 beken van de Libanon!
 Ontwaak, noordenwind, en kom, zuidenwind,
 doorwaai mijn hof,
opdat zijn balsemgeuren stromen!
 Mijn geliefde kome tot zijn hof
 en ete daarvan de kostelijke vrucht.
 Ik ben gekomen tot mijn hof,
 mijn zuster, bruid,
 ik plukte mijn mirre en mijn balsem,
 ik at mijn raat en mijn honing,
 ik dronk mijn wijn en mijn melk.
 Eet, vrienden, drinkt, en wordt dronken, genoten.
 

Hooglied 4:12-16, 5:1.

 

Lees meer...
 
 
 
De weg van het hooglied
 
 
Aan het begin van die weg
heb ik eens gestaan
gewacht op mijn liefste
waarvan ik zeker wist
dat ze hier langs zou komen
 
op het midden van die weg
ben ik eens stil blijven staan
dacht dat ik haar zag komen
waarop ik zolang had gewacht
alleen nog van kon dromen
 
op het eind van die weg
heb ik nog eenmaal omgekeken
ben bedroefd doorgelopen
omdat toch wel was gebleken
dat ze voor een ander had gekozen
 
ik wist niet dat jij aan het begin
zolang al op mij stond te wachten
bittere tranen huilend al die nachten
zeker dacht dat ik langs zou komen
maar die weg was zo eindeloos lang.
 
© Egbert Jan van der Scheer
 

 

Lees meer...
 
Garden Lyrics - Misty Edwards
 
 
It's You and me alone God You and me alone
Here it's You and me alone God You and me alone

You've hedged me in with skin all around me
I'm a garden enclosed a locked garden
Life takes place behind the face.

So come into Your garden
Come into Your garden.
Here O Lord! Have I prepared a place for You!

I'm no longer my own I'm Your garden

I don't want to wasted my time living on the outside
I'm going to live from the inside out
I don't want to waste my life living on the outside
I'm going to live from the inside out

 













Lees meer...
 
 
 
 
Sonnet van het hooglied
 
Zing mijn liefste over liefde en minnen
begeleid door harp en met vrolijke fluit
beeld in bekoorlijke dans je vreugde uit
genieten we van schone klank in zinnen

die samengevoegd in vorm en akkoord
geheel ons hart en gemoed zullen strelen
onze pijnen en verdriet zullen helen
feest voor ieder die van je warmte hoort

maar laat niet te vroeg de lampen doven
opdat de bruidegom de poort niet sluit
u wordt geweerd uit feestzaal en van hoven.

Dans mijn liefste en deel je liefde uit
geef iedere gast van wat je hebt ontvangen
en wacht op je bruidegom in verlangen.

Naar het boek Hooglied
en Mat. 25: 1 t/m 13

@ Egbert Jan van der Scheer

 






Lees meer...
 
 
 
 
Feest als het Hooglied
 
 
 Vol verlangen zie ik uit
naar iedere nieuwe morgen
als een bruidegom naar zijn bruid
haar te ontvangen zonder zorgen
die ik in mijn hart wil sluiten
vol verwachting en met vreugd
 
iedere dag als feest weer vieren
vrolijk zingend met een blijde lach
lijf en hoofd met kransen sieren
en iedereen geluk ervaren mag
met mijn bruid in blinkend wit
door paradijselijke paden
 
dan is ook het grote feest op aarde
waarin ieder schepsel vreugde vind
doordrongen van werkelijke waarde
als Gods kind te zijn bemind.
 
  
@Egbert Jan van der Scheer
 
 
4.gif picture by riaRIJKERS2

 

Lees meer...
 
 
34.gif
 
De Schepping God's.

Vader, als ik naar Uw Schepping kijk,
dan voel ik mij nietig maar ook rijk !
Boom-vogel, bloem-vlinder, zonder tal,
bevolken met hun kleurenpracht 't dal.

Men zingt en fladdert in eigen taal,
over Uw Goedheid voor allemaal.
Er komt geen eind aan hun mooi gezang,
zij doen dit allen, een leven lang.

Wanneer een eind komt aan hun leven,
worden zij aan 'd aard terug gegeven.
Zij zijn tot voedsel van de wormen,
die wortels van de boom omvormen.

De boom ontvangt voedsel voor zijn tak,
en vormt weer een prachtig bladerdak.
In de schaduw van dit gebeuren,
zit ik, genietend van de kleuren.

Vanaf een eikenhouten bank,
Breng ik de Grote Schepper eer en dank !
 
Bron: onbekend
 
 
4.gif picture by riaRIJKERS2
 
 
 



Reacties
                                         
 
 
 
Hooglied
 
1
1 Hooglied, van Salomo.
Zij
2 Laat hij mij kussen,
laat zijn mond mij kussen!
Jouw liefde is zoeter dan wijn,
3 zoet is de geur van je huid,
je naam is een kostbaar parfum.
Daarom houden de meisjes van jou.
4 Neem mij met je mee. Laten we rennen!
 

Mijn koning brengt mij in zijn kamers.
 

Laten we juichen en zingen om jou!
Laten we jouw liefde prijzen,
meer nog dan wijn.
Natuurlijk houden de meisjes van jou!
 

5 Meisjes van Jeruzalem,
donker ben ik, en mooi,
als de tenten van Kedar,
als het doek van Salomo’s tenten.
6 Kijk niet op mij neer omdat ik donker ben,
omdat de zon mij heeft gebrand.
Mijn moeders zonen waren hard voor mij:
ik moest hun wijngaarden bewaken.
Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt.
 

7 Zeg mij toch, mijn allerliefste,
waar laat jij je kudde weiden,
waar laat jij die ’s middags rusten?
Laat me toch niet dwalend  
langs de kudden van je vrienden gaan.
Hij
8 Als je mij niet vinden kunt,
mooiste van alle vrouwen,
volg dan het spoor van de kudde,
weid je geiten waar de herders schuilen.
 

9 Vriendin van mij,
met een merrie voor farao’s wagen
vergelijk ik jou!
10 Hoe lieflijk zijn je wangen en je ringen,
hoe sierlijk zijn je hals en je ketting.
11 Laten we een gouden sieraad voor je maken,
bezaaid met zilveren stipjes.
Zij
12 Nu mijn koning op zijn rustbed ligt,
geurt mijn nardus zoet.
13 Mijn lief is mij een bundel mirre,
hij slaapt tussen mijn borsten.
14 Mijn lief is mij een hennatros
in de wijngaarden van Engedi.
Hij
15 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
je bent zo mooi!
Je ogen zijn duiven.
Zij
16 Wat ben je mooi, mijn lief,
wat ben je bekoorlijk.
Het groen is ons bed,
17 de balken van ons huis zijn ceders,
de binten zijn cipressen.
2
1 Ik ben een lelie van de Saron,
een wilde lelie in het dal.
Hij
2 Als een lelie tussen de distels,
zo is mijn vriendin tussen de meisjes.
Zij
3 Als een appelboom tussen de bomen van het bos,
zo is mijn lief tussen de jongens.
Ik verlang in zijn schaduw te zitten,
met mijn tong wil ik zijn zoete vruchten proeven.
 

4 Hij brengt mij in het wijnhuis,
boven mij zijn vaandel van liefde.
5 Verkwik me met rozijnen,
verfris me met appels,
want ik ben ziek van liefde.
6 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
 

7 Meisjes van Jeruzalem,
ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Zij
8 Hoor! Mijn lief!
Kijk! Hij komt,
springend over de bergen,
dansend over de heuvels.
9 Als een gazelle is mijn lief,
als het jong van een hert.
Kijk! Hij staat al bij de muur.
Hij blikt door het venster,
tuurt door de spijlen.
 

10 Mijn lief roept mij toe:
‘Sta op, vriendin!
Mooi meisje, kom!
11 Kijk! De winter is voorbij,
voorbij zijn de regens, weggegaan.
12 De bloemen zijn verschenen op het veld,
nu breekt de zangtijd aan,
het koeren van de duif klinkt op het land.
13 De vijgenboom is al vol vruchten,
de wijnstok rankt en geurt.
 

Sta op, vriendin,
Mooi meisje, kom!
14 Mijn duif in de rotskloof,
verscholen in de bergwand,
laat mij je gezicht zien,
laat mij luisteren naar je stem,
want je stem is zo lieflijk,
je gezicht zo bekoorlijk.’
Hij en zij
15 Vang voor ons de vossen,
vang die kleine vossen.
Ze vernielen de wijngaard,
onze wijngaard vol bloeiende ranken.
Zij
16 Mijn lief is van mij,
en ik ben van hem.
Hij weidt tussen de lelies.
17 Nu de dag weer ademt
en het duister vlucht –
ga nu weg, mijn lief.
Spring als een gazelle,
als het jong van een hert
over de geurige bergen.
3
1 ’s Nachts in mijn slaap zoek ik mijn lief.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
2 Laat ik opstaan, rondgaan in de stad,
laat ik in de straten, op de pleinen,
zoeken naar mijn allerliefste.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
 

3 De wachters vinden mij
op hun ronde door de stad.
‘Hebben jullie mijn lief ook gezien?’
4 Nog maar nauwelijks ben ik hun voorbij
of ik vind mijn lief.
Ik grijp hem vast en laat hem niet meer los
tot ik hem gebracht heb in mijn moeders huis,
in de kamer van haar die mij baarde.
 

5 Meisjes van Jeruzalem,
ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Meisjes
6 Wie is zij,
die daar komt uit de woestijn
als een zuil van rook,
in een wolk van wierook en mirre,
in een geur van kostbare kruiden?
7 Kijk! Salomo’s draagstoel,
omringd door zestig helden
uit de keurtroepen van Israël,
8 allen met de hand op het zwaard,
geoefend in de strijd,
ieder met het zwaard op de heup,
bedacht op nachtelijk gevaar.
 

9 Een draagkoets maakte koning Salomo,
een koets van cederhout.
10 De stijlen zijn van zilver,
het baldakijn van goud,
de zetel is van purper.
Hij is versierd met tekens van liefde
door de meisjes van Jeruzalem.
 

11 Kom kijken, meisjes van Sion,
kijk naar koning Salomo!
Kijk! De kroon waarmee zijn moeder hem tooide
op zijn bruiloftsdag,
de dag die zijn hart zo verblijdt.
Hij
4
1 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
je bent zo mooi!
Je ogen zijn duiven,
door je sluier heen.
Je haar golft als een kudde geiten
die afdaalt van Gileads bergen.
2 Je tanden zijn als witte schapen:
klaar voor de scheerder
komen ze twee aan twee uit het water,
er ontbreekt er niet een.
3 Als een koord van karmozijn zijn je lippen,
je mond is betoverend.
Als het rood van een granaatappel
fonkelt je lach,
door je sluier heen.
4 Je hals is als de toren van David,
die in ringen is gebouwd,
die met schilden is behangen,
met wel duizend schilden van helden.
5 Je borsten zijn als kalfjes,
als de tweeling van een gazelle,
die tussen de lelies weidt.
6 Nu de dag weer ademt
en het duister vlucht,
ga ik naar de mirreberg,
ga ik naar de wierookheuvel.
7 Vriendin, aan jou is alles mooi,
niets ontsiert je schoonheid.
 

8 Mijn bruid, ga met me mee,
kom mee, weg van de Libanon.
Daal af van de top van de Amana,
de top van de Senir, de Hermon.
Weg van de bergen waar leeuwen huizen,
weg van de holen waar panters schuilen.
9 Zusje, bruid van mij,
je brengt me in vervoering,
je brengt me in verrukking
met maar één blik van je ogen,
met één flonker van je ketting.
10 Zusje, bruid van mij,
hoe heerlijk is jouw liefde,
hoeveel zoeter nog dan wijn.
Hoeveel zoeter is je geur
dan alle balsems die er zijn.
11 Mijn bruid, je lippen druipen van honing,
melk en honing proef ik onder je tong,
je kleed geurt naar de Libanon.
 

12 Zusje, bruid,
een besloten hof ben jij,
een gesloten tuin,  
een verzegelde bron.
13 Aan jou ontspruit een boomgaard vol granaatappels,
met een overvloed aan vruchten,
hennabloemen, nardusplanten,
14 nardus en saffraan, kalmoes en kaneel,
wierookbomen, allerlei soorten,
mirre, aloë,
balsems, allerfijnst.
15 Je bent een bron omringd door tuinen,
een put met helder water,
een bergbeek van de Libanon.
Zij
16 Ontwaak, noordenwind! Kom, zuidenwind!
Waai door mijn hof,
laat zijn balsems geuren.
Mijn lief moet in zijn hof komen,
laat hij daar zijn zoete vruchten proeven.
Hij
5
1 Hier ben ik in mijn hof,
zusje, bruid van mij.
Ik pluk mijn mirre en mijn balsem,
ik eet mijn honing uit mijn honingraat,
ik drink mijn melk en mijn wijn.
Meisjes
Eet, vriend en vriendin!
Drink, en word dronken van liefde!
Zij
2 Ik sliep, maar mijn hart was wakker.
Hoor! Mijn lief klopt aan!
‘Doe open, zusje, mijn vriendin,
mijn duif, mijn allermooiste.
Mijn hoofd is nat van de dauw,
mijn lokken vochtig van de nacht.’
3 ‘Maar ik heb mijn kleed al uitgedaan,
moet ik het weer aandoen?
En ik heb mijn voeten al gewassen,
moet ik ze weer vuil maken?’
4 Mijn lief stak zijn hand naar binnen,
een siddering trok door mij heen – om hem!
5 Toen sprong ik op, ik ging hem opendoen.
Mijn handen dropen van mirre,
mirre vloeide van mijn vingers
op de grendel van de deur.
6 En ik deed open voor mijn lief,
maar hij was weg,
mijn lief was weggegaan.
Een duizeling beving mij
toen ik zag dat hij er niet meer was.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet,
ik riep hem, maar hij antwoordde niet.
7 De wachters vonden mij
op hun ronde door de stad.
Ze sloegen mij, ze verwondden mij,
ze rukten mij de sluier af,
de wachters van de muren.
 

8 Ik bezweer je, meisjes van Jeruzalem,
als jullie mijn lief vinden,
wat zeggen jullie tegen hem?
Dat ik ziek van liefde ben.
Meisjes
9 Wat heeft jouw lief meer dan een ander,
mooiste van alle vrouwen?
Wat heeft jouw lief meer dan een ander,
dat je ons dit zo bezweert?
Meisjes 6
1 Waar is je lief naartoe gegaan,
mooiste van alle vrouwen,
waar is je lief naartoe gegaan?
Laten we hem samen zoeken.
Zij
2 Mijn lief is naar zijn tuin gegaan,
naar zijn balsemtuin beneden.
Daar wil hij weiden,
daar wil hij lelies plukken.
3 Ik ben van mijn lief,
en mijn lief is van mij.
Hij weidt tussen de lelies.
Hij
4 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
zo bekoorlijk als Tirsa,
zo lieflijk als Jeruzalem,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw.
5 Wend je ogen af, ze verwarren mij.
Je haar golft als een kudde geiten
die afdaalt van de Gilead.
6 Je tanden zijn als witte schapen:
klaar voor de scheerder
komen ze twee aan twee uit het water,
er ontbreekt er niet een.
7 Als het rood van een granaatappel
fonkelt je lach,
door je sluier heen.
 

8 Ook al zijn er zestig koninginnen,
en wel tachtig bijvrouwen,
meisjes zonder tal,
9 zoals mijn duif is er maar één,
mijn allermooiste is de enige.
De enige voor haar moeder is zij,
een stralend licht voor wie haar baarde.
Alle meisjes die haar zien, prijzen haar gelukkig,
elke koningin, elke bijvrouw juicht haar toe.
Meisjes
10 Wie is zij,
die daar oplicht als de dageraad,
zo helder als de volle maan,
zo stralend als de zon,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw?
Hij
11 Ik ging naar mijn notengaard beneden,
om te kijken naar de bloesems bij de beek,
naar de ranken aan de wijnstok,
de granaatappels in bloei.
12 En plotseling voelde ik mij meegevoerd
als op een wagen van mijn nobel volk. 
Meisjes
7
1 Draai  rond, meisje uit Sulem, draai rond,
draai rond, we willen naar je kijken.
Hij
Kijk! Zie je dat meisje uit Sulem,
zoals ze danst tussen twee reien?
2 Wat zijn je voeten mooi in je sandalen, koningskind!
Je heupen draaien sierlijk rond,
de schepping van een kunstenaar.
3 Je navel is een ronde kom,
die gevuld is met kruidige wijn.
Je buik is een bergje tarwe,
dat door lelies wordt omzoomd.
4 Je borsten zijn als kalfjes,
als de tweeling van een gazelle.
5 Je hals is als een toren van ivoor,
je ogen als de vijvers van Chesbon,
bij de poort van Bat-Rabbim.
Je neus is als een toren van de Libanon,
die uitkijkt over Damascus.
6 Je hoofd rijst op als de Karmel,
omkruld door purperen lokken,
waarin een koning ligt verstrikt.
Hij
7 Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk,
liefde en verrukking, dat ben jij.
8 Als een palm is je gestalte,
je borsten zijn als druiventrossen.
9 Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen,
ik wil zijn bladeren grijpen.
Laten jouw borsten
als trossen van de wijnstok zijn,
je adem als de geur van appels,
10 je tong als zoete wijn
waarin mijn kussen  baden,
mijn lippen en tanden gedompeld zijn. 
Zij
11 Ik ben van mijn lief,
en hij verlangt naar mij.
12 Kom, mijn lief,
laten we het veld in gaan,
en tussen de hennabloemen slapen.
13 Laten we de wijngaard in gaan, morgenvroeg,
en kijken of de wijnstok al is uitgebot,
zijn bloesems al ontloken zijn,
de granaatappel al bloeit.
Daar zal ik jou beminnen.
 

14 De liefdesappels geuren al.
Boven onze poorten hangt een keur van vruchten,
vers geplukte, goed gedroogde.
Mijn lief, ik heb ze bewaard voor jou.
8
1 Was jij maar mijn broertje,
dronk jij nog maar aan mijn moeders borst.
Als ik je dan vond, daar buiten,
dan kuste ik jou,
en niemand zou me verachten.
2 Dan nam ik je mee
en bracht je in mijn moeders huis.
Dat heb ik van haar geleerd.
Ik gaf je kruidige wijn te drinken,
van het sap van mijn granaatappel.
 

3 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
 

4 Meisjes van Jeruzalem, ik bezweer je:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Meisjes
5 Wie is zij,
die daar komt uit de woestijn,
leunend op de arm van haar lief?
Zij
Onder de appelboom wekte ik jou.
Daar kreeg je moeder weeën,
weeën van jou,
daar baarde ze jou.
 

6 Draag mij als een zegel op je hart,
als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde,
beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur,
een laaiende vlam. 
7 Zeeën kunnen haar niet doven,
rivieren spoelen haar niet weg.
Zou een man met al zijn rijkdom liefde willen kopen,
dan werd hij smadelijk veracht.
Broers
8 Wij hebben een zusje,
borsten heeft ze nog niet.
Wat doen we met ons zusje
als de mensen over haar gaan spreken?
9 Was zij een muur,
dan bouwden wij er zilveren kantelen op.
Was zij een deur,
dan sloten wij die met een balk van cederhout.
Zij
10 Ik ben een muur,
mijn borsten zijn als torens.
Zo ben ik in zijn ogen als een stad
die vrede biedt.
11 Salomo bezat een wijngaard in Baäl-Hamon.
Hij stelde er bewakers aan,
duizend sjekel zilver gaf men voor de oogst.
12 Mijn eigen wijngaard blijft van mij.
De duizend sjekel zilver is voor jou, Salomo,
en tweehonderd voor de bewakers.
Hij
13 Jij die in je hof verblijft,
mijn vrienden zijn gespitst op je stem.
Laat míj die horen!
Zij
14 Ga nu van mij weg, mijn lief!
Spring als een gazelle,
als het jong van een hert
over de bergen vol balsemkruid.
 
NBV
 
                    

 

Lees meer...
34.gif
De  liefde van God.
 
Zijn warme Vaderhart gaat naar ons uit.
Zijn armen zijn uitgesterkt om ons te bereiken.
Zijn hart klopt sneller,
als Hij ook maar een moment onze aandacht krijgt.
 
Maar wij hebben ons gezicht afgewend.
Wij zijn met onze eigen zaken bezig.
Laat dit ons helpen om even God's kant op te kijken.
Even als herinnering: Hij is er ook nog!
 
Om zodoende een glimp op te vangen
 van wie Hij werkelijk is.
Een God vol van vreugde en vrede.
die er steeds naar uitziet en ernaar velangt
om onze aandacht te krijgen.
Maar zich nooit zal opdringen!
 
 
4.gif picture by riaRIJKERS2
 

 

Lees meer...
 
 

Song of Solomon

 

Chapter 1

  1. The song of songs, which is Solomon's.
  2. Let him kiss me with the kisses of his mouth: for thy love isbetter than wine.
  3. Because of the savour of thy good ointments thy name is asointment poured forth, therefore do the virgins love thee.
  4. Draw me, we will run after thee: the king hath brought me intohis chambers: we will be glad and rejoice in thee, we will remember thy love more than wine: the upright love thee.
  5. I am black, but comely, O ye daughters of Jerusalem, as the tentsof Kedar, as the curtains of Solomon.
  6. Look not upon me, because I am black, because the sun hath lookedupon me: my mother's children were angry with me; they made me the keeper of the vineyards; but mine own vineyard have I not kept.
  7. Tell me, O thou whom my soul loveth, where thou feedest, wherethou makest thy flock to rest at noon: for why should I be as one that turneth aside by the flocks of thy companions?
  8. If thou know not, O thou fairest among women, go thy way forth bythe footsteps of the flock, and feed thy kids beside the shepherds' tents.
  9. I have compared thee, O my love, to a company of horses inPharaoh's chariots.
  10. Thy cheeks are comely with rows of jewels, thy neck with chainsof gold.
  11. We will make thee borders of gold with studs of silver.
  12. While the king sitteth at his table, my spikenard sendeth forththe smell thereof.
  13. A bundle of myrrh is my well-beloved unto me; he shall lie allnight betwixt my breasts.
  14. My beloved is unto me as a cluster of camphire in the vineyardsof Engedi.
  15. Behold, thou art fair, my love; behold, thou art fair; thou hastdoves' eyes.
  16. Behold, thou art fair, my beloved, yea, pleasant: also our bedis green.
  17. The beams of our house are cedar, and our rafters of fir.

Chapter 2

  1. I am the rose of Sharon, and the lily of the valleys.
  2. As the lily among thorns, so is my love among the daughters.
  3. As the apple tree among the trees of the wood, so is my belovedamong the sons. I sat down under his shadow with great delight, and his fruit was sweet to my taste.
  4. He brought me to the banqueting house, and his banner over me waslove.
  5. Stay me with flagons, comfort me with apples: for I am sick oflove.
  6. His left hand is under my head, and his right hand doth embraceme.
  7. I charge you, O ye daughters of Jerusalem, by the roes, and bythe hinds of the field, that ye stir not up, nor awake my love, till he please.
  8. The voice of my beloved! behold, he cometh leaping upon themountains, skipping upon the hills.
  9. My beloved is like a roe or a young hart: behold, he standethbehind our wall, he looketh forth at the windows, shewing himself through the lattice.
  10. My beloved spake, and said unto me, Rise up, my love, my fairone, and come away.
  11. For, lo, the winter is past, the rain is over and gone;
  12. The flowers appear on the earth; the time of the singing ofbirds is come, and the voice of the turtle is heard in our land;
  13. The fig tree putteth forth her green figs, and the vines withthe tender grape give a good smell. Arise, my love, my fair one, and come away.
  14. O my dove, that art in the clefts of the rock, in the secretplaces of the stairs, let me see thy countenance, let me hear thy voice; for sweet is thy voice, and thy countenance is comely.
  15. Take us the foxes, the little foxes, that spoil the vines: forour vines have tender grapes.
  16. My beloved is mine, and I am his: he feedeth among the lilies.
  17. Until the day break, and the shadows flee away, turn, mybeloved, and be thou like a roe or a young hart upon the mountains of Bether.

Chapter 3

  1. By night on my bed I sought him whom my soul loveth: I soughthim, but I found him not.
  2. I will rise now, and go about the city in the streets, and in thebroad ways I will seek him whom my soul loveth: I sought him, but I found him not.
  3. The watchmen that go about the city found me: to whom I said, Sawye him whom my soul loveth?
  4. It was but a little that I passed from them, but I found him whommy soul loveth: I held him, and would not let him go, until I had brought him into my mother's house, and into the chamber of her that conceived me.
  5. I charge you, O ye daughters of Jerusalem, by the roes, and bythe hinds of the field, that ye stir not up, nor awake my love, till he please.
  6. Who is this that cometh out of the wilderness like pillars ofsmoke, perfumed with myrrh and frankincense, with all powders of the merchant?
  7. Behold his bed, which is Solomon's; threescore valiant men areabout it, of the valiant of Israel.
  8. They all hold swords, being expert in war: every man hath hissword upon his thigh because of fear in the night.
  9. King Solomon made himself a chariot of the wood of Lebanon.
  10. He made the pillars thereof of silver, the bottom thereof ofgold, the covering of it of purple, the midst thereof being paved with love, for the daughters of Jerusalem.
  11. Go forth, O ye daughters of Zion, and behold king Solomon withthe crown wherewith his mother crowned him in the day of his espousals, and in the day of the gladness of his heart.

Chapter 4

  1. Behold, thou art fair, my love; behold, thou art fair; thou hastdoves' eyes within thy locks: thy hair is as a flock of goats, that appear from mount Gilead.
  2. Thy teeth are like a flock of sheep that are even shorn, whichcame up from the washing; whereof every one bear twins, and none is barren among them.
  3. Thy lips are like a thread of scarlet, and thy speech is comely:thy temples are like a piece of a pomegranate within thy locks.
  4. Thy neck is like the tower of David builded for an armoury,whereon there hang a thousand bucklers, all shields of mighty men.
  5. Thy two breasts are like two young roes that are twins, whichfeed among the lilies.
  6. Until the day break, and the shadows flee away, I will get me tothe mountain of myrrh, and to the hill of frankincense.
  7. Thou art all fair, my love; there is no spot in thee.
  8. Come with me from Lebanon, my spouse, with me from Lebanon: lookfrom the top of Amana, from the top of Shenir and Hermon, from the lions' dens, from the mountains of the leopards.
  9. Thou hast ravished my heart, my sister, my spouse; thou hastravished my heart with one of thine eyes, with one chain of thy neck.
  10. How fair is thy love, my sister, my spouse! how much better isthy love than wine! and the smell of thine ointments than all spices!
  11. Thy lips, O my spouse, drop as the honeycomb: honey and milk areunder thy tongue; and the smell of thy garments is like the smell of Lebanon.
  12. A garden inclosed is my sister, my spouse; a spring shut up, afountain sealed.
  13. Thy plants are an orchard of pomegranates, with pleasant fruits;camphire, with spikenard,
  14. Spikenard and saffron; calamus and cinnamon, with all trees offrankincense; myrrh and aloes, with all the chief spices:
  15. A fountain of gardens, a well of living waters, and streams fromLebanon.
  16. Awake, O north wind; and come, thou south; blow upon my garden,that the spices thereof may flow out. Let my beloved come into his garden, and eat his pleasant fruits.

Chapter 5

  1. I am come into my garden, my sister, my spouse: I have gatheredmy myrrh with my spice; I have eaten my honeycomb with my honey; I have drunk my wine with my milk: eat, O friends; drink, yea, drink abundantly, O beloved.
  2. I sleep, but my heart waketh: it is the voice of my beloved thatknocketh, saying, Open to me, my sister, my love, my dove, my undefiled: for my head is filled with dew, and my locks with the drops of the night.
  3. I have put off my coat; how shall I put it on? I have washed myfeet; how shall I defile them?
  4. My beloved put in his hand by the hole of the door, and my bowelswere moved for him.
  5. I rose up to open to my beloved; and my hands dropped with myrrh,and my fingers with sweet smelling myrrh, upon the handles of the lock.
  6. I opened to my beloved; but my beloved had withdrawn himself, andwas gone: my soul failed when he spake: I sought him, but I could not find him; I called him, but he gave me no answer.
  7. The watchmen that went about the city found me, they smote me,they wounded me; the keepers of the walls took away my veil from me.
  8. I charge you, O daughters of Jerusalem, if ye find my beloved,that ye tell him, that I am sick of love.
  9. What is thy beloved more than another beloved, O thou fairestamong women? what is thy beloved more than another beloved, that thou dost so charge us?
  10. My beloved is white and ruddy, the chiefest among ten thousand.
  11. His head is as the most fine gold, his locks are bushy, andblack as a raven.
  12. His eyes are as the eyes of doves by the rivers of waters,washed with milk, and fitly set.
  13. His cheeks are as a bed of spices, as sweet flowers: his lipslike lilies, dropping sweet smelling myrrh.
  14. His hands are as gold rings set with the beryl: his belly is asbright ivory overlaid with sapphires.
  15. His legs are as pillars of marble, set upon sockets of finegold: his countenance is as Lebanon, excellent as the cedars.
  16. His mouth is most sweet: yea, he is altogether lovely. This ismy beloved, and this is my friend, O daughters of Jerusalem.

Chapter 6

  1. Whither is thy beloved gone, O thou fairest among women? whitheris thy beloved turned aside? that we may seek him with thee.
  2. My beloved is gone down into his garden, to the beds of spices,to feed in the gardens, and to gather lilies.
  3. I am my beloved's, and my beloved is mine: he feedeth among thelilies.
  4. Thou art beautiful, O my love, as Tirzah, comely as Jerusalem,terrible as an army with banners.
  5. Turn away thine eyes from me, for they have overcome me: thy hairis as a flock of goats that appear from Gilead.
  6. Thy teeth are as a flock of sheep which go up from the washing,whereof every one beareth twins, and there is not one barren among them.
  7. As a piece of a pomegranate are thy temples within thy locks.
  8. There are threescore queens, and fourscore concubines, andvirgins without number.
  9. My dove, my undefiled is but one; she is the only one of hermother, she is the choice one of her that bare her. The daughters saw her, and blessed her; yea, the queens and the concubines, and they praised her.
  10. Who is she that looketh forth as the morning, fair as the moon,clear as the sun, and terrible as an army with banners?
  11. I went down into the garden of nuts to see the fruits of thevalley, and to see whether the vine flourished and the pomegranates budded.
  12. Or ever I was aware, my soul made me like the chariots ofAmminadib.
  13. Return, return, O Shulamite; return, return, that we may lookupon thee. What will ye see in the Shulamite? As it were the company of two armies.

Chapter 7

  1. How beautiful are thy feet with shoes, O prince's daughter! thejoints of thy thighs are like jewels, the work of the hands of a cunning workman.
  2. Thy navel is like a round goblet, which wanteth not liquor: thybelly is like an heap of wheat set about with lilies.
  3. Thy two breasts are like two young roes that are twins.
  4. Thy neck is as a tower of ivory; thine eyes like the fishpools inHeshbon, by the gate of Bathrabbim: thy nose is as the tower of Lebanon which looketh toward Damascus.
  5. Thine head upon thee is like Carmel, and the hair of thine headlike purple; the king is held in the galleries.
  6. How fair and how pleasant art thou, O love, for delights!
  7. This thy stature is like to a palm tree, and thy breasts toclusters of grapes.
  8. I said, I will go up to the palm tree, I will take hold of theboughs thereof: now also thy breasts shall be as clusters of the vine, and the smell of thy nose like apples;
  9. And the roof of thy mouth like the best wine for my beloved, thatgoeth down sweetly, causing the lips of those that are asleep to speak.
  10. I am my beloved's, and his desire is toward me.
  11. Come, my beloved, let us go forth into the field; let us lodgein the villages.
  12. Let us get up early to the vineyards; let us see if the vineflourish, whether the tender grape appear, and the pomegranates bud forth: there will I give thee my loves.
  13. The mandrakes give a smell, and at our gates are all manner ofpleasant fruits, new and old, which I have laid up for thee, O my beloved.

Chapter 8

  1. O that thou wert as my brother, that sucked the breasts of mymother! when I should find thee without, I would kiss thee; yea, I should not be despised.
  2. I would lead thee, and bring thee into my mother's house, whowould instruct me: I would cause thee to drink of spiced wine of the juice of my pomegranate.
  3. His left hand should be under my head, and his right hand shouldembrace me.
  4. I charge you, O daughters of Jerusalem, that ye stir not up, norawake my love, until he please.
  5. Who is this that cometh up from the wilderness, leaning upon herbeloved? I raised thee up under the apple tree: there thy mother brought thee forth: there she brought thee forth that bare thee.
  6. Set me as a seal upon thine heart, as a seal upon thine arm: forlove is strong as death; jealousy is cruel as the grave: the coals thereof are coals of fire, which hath a most vehement flame.
  7. Many waters cannot quench love, neither can the floods drown it:if a man would give all the substance of his house for love, it would utterly be contemned.
  8. We have a little sister, and she hath no breasts: what shall wedo for our sister in the day when she shall be spoken for?
  9. If she be a wall, we will build upon her a palace of silver: andif she be a door, we will inclose her with boards of cedar.
  10. I am a wall, and my breasts like towers: then was I in his eyesas one that found favour.
  11. Solomon had a vineyard at Baalhamon; he let out the vineyardunto keepers; every one for the fruit thereof was to bring a thousand pieces of silver.
  12. My vineyard, which is mine, is before me: thou, O Solomon, musthave a thousand, and those that keep the fruit thereof two hundred.
  13. Thou that dwellest in the gardens, the companions hearken to thyvoice: cause me to hear it.
  14. Make haste, my beloved, and be thou like to a roe or to a younghart upon the mountains of spices.
 
 
4.gif picture by riaRIJKERS2
 
 
 

 

Lees meer...
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl