Welkom in de Tuin van God
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen in deze categorie!
Categorieën
Tuin van God!
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Meer van Beloved Daughter:

    Afgesloten Hof

    Beautiful Place

    Beloved Court

    Beloved Daughter

    Beloved Garden

    Beloved Place

    Beloved Woman

    Bride of Christ

    Daughter of Christ

    Deserted Place

    Desolate Place

    God's garden

    Holy Place

    Hooglied

    Lonely PLace

    Lovely Garden

    Oase

    Resting Place

    Rose of Love

    Prince of Peace

    Schuilgrot

    Tuin van God

    Toevluchtsoord

    Vreugdebron

    Vredevorst

 

  

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
092landschap1.gif
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Stream
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
4.gif picture by riaRIJKERS2
 
 

 

 

 

 
 
 
 
 
Een intieme relatie met God hebben
 

In Hooglied 4:12, noemt De Bruidegom de bruid een “besloten tuin”- een exclusieve tuin, verzegeld voor de Bruidegom. Zij is voor niemand anders. Zij behoort exclusief toe aan de Heer.

door Zac Poonen, vertaling Michel de Ruijter

Is jouw relatie met de Heer zo? Kan de Heer tegen jou zeggen, “Jij bent mijn privé tuin, exclusief van Mij”? Er zijn veel aantrekkelijke dingen in de wereld te vinden, zoals mogelijkheden om veel meer geld te verdienen, dan we nodig hebben, om aardse macht te krijgen of beroemd te worden en een naam voor ons zelf te maken, enzovoort. Zulke verleidingen kunnen vergeleken worden met andere mannen, die de bruid proberen te verleiden. De bruid hier wordt er niet door verleid. Zij is volkomen gericht op haar geliefde. Zij behoort haar Bruidegom exclusief toe.

Heel weinig gelovigen leven in een dergelijke relatie met Christus en dat is de reden dat ze Hem niet intiem kennen en Zijn Woord niet begrijpen.

Het geheim van het begrijpen van de Bijbel is om eerst een intieme relatie met de Heer te hebben – wie kan ons beter uitleggen wat Zijn Woord betekend dan Hij zelf? Wandel met Hem, zoals de eerste apostelen deden en verlang er naar dat Hij tot je spreekt. Dan zullen je ogen geopend worden zoals die van hen en je hart zal in vuur en vlam gezet worden, zoals die van hen. Dit is wat ik ontdekt heb in de laatste veertig jaar die ik met de Heer gewandeld heb.

Dan zal de bruid de noordelijke wind en de zuidelijke wind uitnodigen om door haar tuin te waaien (Hooglied 4:16). De noordenwind is de koude wind van lijden, tegenslag en beproeving; en de zuidenwind is de wind van zegen, bemoediging, voorspoed en blijdschap. Het maakt niet uit welke van deze winden waait; het resultaat zal hetzelfde zijn – het stromen van een (balsem-)geur. Of we nu een comfortabel gemakkelijk leven hebben, of een leven vol moeilijkheden en beproevingen, door de genade van God kan er altijd een geur van Christus uit ons voortkomen. Dankzegging, lofprijs en aanbidding voor God zal uit ons leven voortkomen, ongeacht de omstandigheden.

“Mijn geliefde kome tot zijn hof en eet daarvan de kostelijke vrucht” (Hooglied 4:16). Alles wat ons leven (onze tuin) produceert is voor de Heer – niet om indruk te maken op andere mensen hoe geestelijk we zijn. Als je een getuigenis van je leven geeft, probeer anderen dan niet te laten zien wat een fantastisch mens je bent. Laat hen zien wat een fantastische Redder je hebt! Anders zullen je vruchten voor mensen zijn en niet voor de Heer. Hier zegt de bruid; “Alles in mijn tuin is alleen voor mijn Geliefde”.

Heeft God je gebruikt om iemand tot Christus te brengen? Verblijd je niet over wat jij hebt gedaan. Verblijd je met de engelen dat een zondaar berouw heeft gekregen. Hij is een bekeerling van de Heer en niet van jou. Als je een offer voor de Heer gebracht hebt, laat niemand daar van af weten. Waarom moeten we adverteren met onze offers? Gaat een vrouw, die haar echtgenoot innig lief heeft, de hele wereld vertellen wat ze allemaal voor hem doet en welke offers ze daarvoor brengt? Er zijn zoveel liefdevolle geheimen tussen een vrouw en haar echtgenoot. Er zouden ook liefdevolle geheimen tussen jou en de Heer moeten zijn. Misschien besteed je tijd alleen met de Heer – Goed. Maar waarom zou iemand anders daar weet van hebben? Een vrouw, die verliefd is op haar echtgenoot wil niet dat iemand weet van hun tijd samen. Daarom zegt Jezus ons de deur te sluiten als we bidden. Niemand zou moeten weten van de tijd die we doorbrengen met onze Geliefde.

Maar het is echt zeldzaam om dergelijke Christenen tegen te komen. De meeste van hen vertellen erg graag aan iedereen over hun offers en diensten voor de Heer – om daar zelf eer voor te ontvangen! Dat is het duidelijkste bewijs dat zij geen liefdesrelatie met de Heer hebben. Hooglied is een belangrijk boek voor al deze Christenen. Ik ben de Heer innig dankbaar dat Hij me eerst dit boek heeft laten bestuderen, toen ik aan mijn leven als Christen begon. Deze liefdesrelatie met de Heer zou de basis moeten vormen voor álles wat we voor Hem doen.

(Zac Poonen heeft zich 40 jaar ingezet voor het stichten van nieuwe gemeentes. Hij is de schrijver van 25 boeken over verdieping in het geloof)
Bron: http://www.cfcindia.com


Hoor! Mijn lief! Kijk! Hij komt, springend over de bergen, dansend over de heuvels. Als een gazelle is mijn lief, als het jong van een hert. Kijk! Hij staat al bij de muur. Hij blikt door het venster, tuurt door de spijlen. Mijn lief roept mij toe: ‘Sta op, vriendin! Mooi meisje, kom! Kijk! De winter is voorbij, voorbij zijn de regens, weggegaan. De bloemen zijn verschenen op het veld, nu breekt de zangtijd aan, het koeren van de duif klinkt op het land. De vijgenboom is al vol vruchten, de wijnstok rankt en geurt. Sta op, vriendin, Mooi meisje, kom!

Mijn duif in de rotskloof, verscholen in de bergwand, laat mij je gezicht zien, laat mij luisteren naar je stem, want je stem is zo lieflijk, je gezicht zo bekoorlijk.’ Vang voor ons de vossen, vang die kleine vossen. Ze vernielen de wijngaard, onze wijngaard vol bloeiende ranken. Mijn lief is van mij, en ik ben van hem. Hij weidt tussen de lelies. Nu de dag weer ademt en het duister vlucht - ga nu weg, mijn lief. Spring als een gazelle, als het jong van een hert over de geurige bergen -
Hooglied 2:8-17

(Manna-vandaag.nl)













Lees meer...
 
 
 
De bruid van Christus
 
  Een afgesloten hof zijt gij,
mijn zuster, bruid,
 een afgesloten wel,
een verzegelde bron.
 Wat uit u opspruit,
is een lusthof van granaatappelbomen,
 met kostelijke vruchten,
 hennabloemen en nardusplanten,
 nardus en saffraan,
kalmus en kaneel,
 met allerlei wierookstruiken,
 mirre en aloë,
 met al de kostbaarste specerijen.
 Fontein der hoven,
bron van levend water,
 beken van de Libanon!
 Ontwaak, noordenwind, en kom, zuidenwind,
 doorwaai mijn hof,
opdat zijn balsemgeuren stromen!
 Mijn geliefde kome tot zijn hof
 en ete daarvan de kostelijke vrucht.
 Ik ben gekomen tot mijn hof,
 mijn zuster, bruid,
 ik plukte mijn mirre en mijn balsem,
 ik at mijn raat en mijn honing,
 ik dronk mijn wijn en mijn melk.
 Eet, vrienden, drinkt, en wordt dronken, genoten.
 

Hooglied 4:12-16, 5:1.

 

Lees meer...
 
 
 
De weg van het hooglied
 
 
Aan het begin van die weg
heb ik eens gestaan
gewacht op mijn liefste
waarvan ik zeker wist
dat ze hier langs zou komen
 
op het midden van die weg
ben ik eens stil blijven staan
dacht dat ik haar zag komen
waarop ik zolang had gewacht
alleen nog van kon dromen
 
op het eind van die weg
heb ik nog eenmaal omgekeken
ben bedroefd doorgelopen
omdat toch wel was gebleken
dat ze voor een ander had gekozen
 
ik wist niet dat jij aan het begin
zolang al op mij stond te wachten
bittere tranen huilend al die nachten
zeker dacht dat ik langs zou komen
maar die weg was zo eindeloos lang.
 
© Egbert Jan van der Scheer
 

 

Lees meer...
 
 
 
 
Sonnet van het hooglied
 
Zing mijn liefste over liefde en minnen
begeleid door harp en met vrolijke fluit
beeld in bekoorlijke dans je vreugde uit
genieten we van schone klank in zinnen

die samengevoegd in vorm en akkoord
geheel ons hart en gemoed zullen strelen
onze pijnen en verdriet zullen helen
feest voor ieder die van je warmte hoort

maar laat niet te vroeg de lampen doven
opdat de bruidegom de poort niet sluit
u wordt geweerd uit feestzaal en van hoven.

Dans mijn liefste en deel je liefde uit
geef iedere gast van wat je hebt ontvangen
en wacht op je bruidegom in verlangen.

Naar het boek Hooglied
en Mat. 25: 1 t/m 13

@ Egbert Jan van der Scheer

 






Lees meer...
 
 
 
 
Feest als het Hooglied
 
 
 Vol verlangen zie ik uit
naar iedere nieuwe morgen
als een bruidegom naar zijn bruid
haar te ontvangen zonder zorgen
die ik in mijn hart wil sluiten
vol verwachting en met vreugd
 
iedere dag als feest weer vieren
vrolijk zingend met een blijde lach
lijf en hoofd met kransen sieren
en iedereen geluk ervaren mag
met mijn bruid in blinkend wit
door paradijselijke paden
 
dan is ook het grote feest op aarde
waarin ieder schepsel vreugde vind
doordrongen van werkelijke waarde
als Gods kind te zijn bemind.
 
  
@Egbert Jan van der Scheer
 
 
4.gif picture by riaRIJKERS2

 

Lees meer...
                                         
 
 
 
Hooglied
 
1
1 Hooglied, van Salomo.
Zij
2 Laat hij mij kussen,
laat zijn mond mij kussen!
Jouw liefde is zoeter dan wijn,
3 zoet is de geur van je huid,
je naam is een kostbaar parfum.
Daarom houden de meisjes van jou.
4 Neem mij met je mee. Laten we rennen!
 

Mijn koning brengt mij in zijn kamers.
 

Laten we juichen en zingen om jou!
Laten we jouw liefde prijzen,
meer nog dan wijn.
Natuurlijk houden de meisjes van jou!
 

5 Meisjes van Jeruzalem,
donker ben ik, en mooi,
als de tenten van Kedar,
als het doek van Salomo’s tenten.
6 Kijk niet op mij neer omdat ik donker ben,
omdat de zon mij heeft gebrand.
Mijn moeders zonen waren hard voor mij:
ik moest hun wijngaarden bewaken.
Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt.
 

7 Zeg mij toch, mijn allerliefste,
waar laat jij je kudde weiden,
waar laat jij die ’s middags rusten?
Laat me toch niet dwalend  
langs de kudden van je vrienden gaan.
Hij
8 Als je mij niet vinden kunt,
mooiste van alle vrouwen,
volg dan het spoor van de kudde,
weid je geiten waar de herders schuilen.
 

9 Vriendin van mij,
met een merrie voor farao’s wagen
vergelijk ik jou!
10 Hoe lieflijk zijn je wangen en je ringen,
hoe sierlijk zijn je hals en je ketting.
11 Laten we een gouden sieraad voor je maken,
bezaaid met zilveren stipjes.
Zij
12 Nu mijn koning op zijn rustbed ligt,
geurt mijn nardus zoet.
13 Mijn lief is mij een bundel mirre,
hij slaapt tussen mijn borsten.
14 Mijn lief is mij een hennatros
in de wijngaarden van Engedi.
Hij
15 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
je bent zo mooi!
Je ogen zijn duiven.
Zij
16 Wat ben je mooi, mijn lief,
wat ben je bekoorlijk.
Het groen is ons bed,
17 de balken van ons huis zijn ceders,
de binten zijn cipressen.
2
1 Ik ben een lelie van de Saron,
een wilde lelie in het dal.
Hij
2 Als een lelie tussen de distels,
zo is mijn vriendin tussen de meisjes.
Zij
3 Als een appelboom tussen de bomen van het bos,
zo is mijn lief tussen de jongens.
Ik verlang in zijn schaduw te zitten,
met mijn tong wil ik zijn zoete vruchten proeven.
 

4 Hij brengt mij in het wijnhuis,
boven mij zijn vaandel van liefde.
5 Verkwik me met rozijnen,
verfris me met appels,
want ik ben ziek van liefde.
6 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
 

7 Meisjes van Jeruzalem,
ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Zij
8 Hoor! Mijn lief!
Kijk! Hij komt,
springend over de bergen,
dansend over de heuvels.
9 Als een gazelle is mijn lief,
als het jong van een hert.
Kijk! Hij staat al bij de muur.
Hij blikt door het venster,
tuurt door de spijlen.
 

10 Mijn lief roept mij toe:
‘Sta op, vriendin!
Mooi meisje, kom!
11 Kijk! De winter is voorbij,
voorbij zijn de regens, weggegaan.
12 De bloemen zijn verschenen op het veld,
nu breekt de zangtijd aan,
het koeren van de duif klinkt op het land.
13 De vijgenboom is al vol vruchten,
de wijnstok rankt en geurt.
 

Sta op, vriendin,
Mooi meisje, kom!
14 Mijn duif in de rotskloof,
verscholen in de bergwand,
laat mij je gezicht zien,
laat mij luisteren naar je stem,
want je stem is zo lieflijk,
je gezicht zo bekoorlijk.’
Hij en zij
15 Vang voor ons de vossen,
vang die kleine vossen.
Ze vernielen de wijngaard,
onze wijngaard vol bloeiende ranken.
Zij
16 Mijn lief is van mij,
en ik ben van hem.
Hij weidt tussen de lelies.
17 Nu de dag weer ademt
en het duister vlucht –
ga nu weg, mijn lief.
Spring als een gazelle,
als het jong van een hert
over de geurige bergen.
3
1 ’s Nachts in mijn slaap zoek ik mijn lief.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
2 Laat ik opstaan, rondgaan in de stad,
laat ik in de straten, op de pleinen,
zoeken naar mijn allerliefste.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
 

3 De wachters vinden mij
op hun ronde door de stad.
‘Hebben jullie mijn lief ook gezien?’
4 Nog maar nauwelijks ben ik hun voorbij
of ik vind mijn lief.
Ik grijp hem vast en laat hem niet meer los
tot ik hem gebracht heb in mijn moeders huis,
in de kamer van haar die mij baarde.
 

5 Meisjes van Jeruzalem,
ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Meisjes
6 Wie is zij,
die daar komt uit de woestijn
als een zuil van rook,
in een wolk van wierook en mirre,
in een geur van kostbare kruiden?
7 Kijk! Salomo’s draagstoel,
omringd door zestig helden
uit de keurtroepen van Israël,
8 allen met de hand op het zwaard,
geoefend in de strijd,
ieder met het zwaard op de heup,
bedacht op nachtelijk gevaar.
 

9 Een draagkoets maakte koning Salomo,
een koets van cederhout.
10 De stijlen zijn van zilver,
het baldakijn van goud,
de zetel is van purper.
Hij is versierd met tekens van liefde
door de meisjes van Jeruzalem.
 

11 Kom kijken, meisjes van Sion,
kijk naar koning Salomo!
Kijk! De kroon waarmee zijn moeder hem tooide
op zijn bruiloftsdag,
de dag die zijn hart zo verblijdt.
Hij
4
1 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
je bent zo mooi!
Je ogen zijn duiven,
door je sluier heen.
Je haar golft als een kudde geiten
die afdaalt van Gileads bergen.
2 Je tanden zijn als witte schapen:
klaar voor de scheerder
komen ze twee aan twee uit het water,
er ontbreekt er niet een.
3 Als een koord van karmozijn zijn je lippen,
je mond is betoverend.
Als het rood van een granaatappel
fonkelt je lach,
door je sluier heen.
4 Je hals is als de toren van David,
die in ringen is gebouwd,
die met schilden is behangen,
met wel duizend schilden van helden.
5 Je borsten zijn als kalfjes,
als de tweeling van een gazelle,
die tussen de lelies weidt.
6 Nu de dag weer ademt
en het duister vlucht,
ga ik naar de mirreberg,
ga ik naar de wierookheuvel.
7 Vriendin, aan jou is alles mooi,
niets ontsiert je schoonheid.
 

8 Mijn bruid, ga met me mee,
kom mee, weg van de Libanon.
Daal af van de top van de Amana,
de top van de Senir, de Hermon.
Weg van de bergen waar leeuwen huizen,
weg van de holen waar panters schuilen.
9 Zusje, bruid van mij,
je brengt me in vervoering,
je brengt me in verrukking
met maar één blik van je ogen,
met één flonker van je ketting.
10 Zusje, bruid van mij,
hoe heerlijk is jouw liefde,
hoeveel zoeter nog dan wijn.
Hoeveel zoeter is je geur
dan alle balsems die er zijn.
11 Mijn bruid, je lippen druipen van honing,
melk en honing proef ik onder je tong,
je kleed geurt naar de Libanon.
 

12 Zusje, bruid,
een besloten hof ben jij,
een gesloten tuin,  
een verzegelde bron.
13 Aan jou ontspruit een boomgaard vol granaatappels,
met een overvloed aan vruchten,
hennabloemen, nardusplanten,
14 nardus en saffraan, kalmoes en kaneel,
wierookbomen, allerlei soorten,
mirre, aloë,
balsems, allerfijnst.
15 Je bent een bron omringd door tuinen,
een put met helder water,
een bergbeek van de Libanon.
Zij
16 Ontwaak, noordenwind! Kom, zuidenwind!
Waai door mijn hof,
laat zijn balsems geuren.
Mijn lief moet in zijn hof komen,
laat hij daar zijn zoete vruchten proeven.
Hij
5
1 Hier ben ik in mijn hof,
zusje, bruid van mij.
Ik pluk mijn mirre en mijn balsem,
ik eet mijn honing uit mijn honingraat,
ik drink mijn melk en mijn wijn.
Meisjes
Eet, vriend en vriendin!
Drink, en word dronken van liefde!
Zij
2 Ik sliep, maar mijn hart was wakker.
Hoor! Mijn lief klopt aan!
‘Doe open, zusje, mijn vriendin,
mijn duif, mijn allermooiste.
Mijn hoofd is nat van de dauw,
mijn lokken vochtig van de nacht.’
3 ‘Maar ik heb mijn kleed al uitgedaan,
moet ik het weer aandoen?
En ik heb mijn voeten al gewassen,
moet ik ze weer vuil maken?’
4 Mijn lief stak zijn hand naar binnen,
een siddering trok door mij heen – om hem!
5 Toen sprong ik op, ik ging hem opendoen.
Mijn handen dropen van mirre,
mirre vloeide van mijn vingers
op de grendel van de deur.
6 En ik deed open voor mijn lief,
maar hij was weg,
mijn lief was weggegaan.
Een duizeling beving mij
toen ik zag dat hij er niet meer was.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet,
ik riep hem, maar hij antwoordde niet.
7 De wachters vonden mij
op hun ronde door de stad.
Ze sloegen mij, ze verwondden mij,
ze rukten mij de sluier af,
de wachters van de muren.
 

8 Ik bezweer je, meisjes van Jeruzalem,
als jullie mijn lief vinden,
wat zeggen jullie tegen hem?
Dat ik ziek van liefde ben.
Meisjes
9 Wat heeft jouw lief meer dan een ander,
mooiste van alle vrouwen?
Wat heeft jouw lief meer dan een ander,
dat je ons dit zo bezweert?
Meisjes 6
1 Waar is je lief naartoe gegaan,
mooiste van alle vrouwen,
waar is je lief naartoe gegaan?
Laten we hem samen zoeken.
Zij
2 Mijn lief is naar zijn tuin gegaan,
naar zijn balsemtuin beneden.
Daar wil hij weiden,
daar wil hij lelies plukken.
3 Ik ben van mijn lief,
en mijn lief is van mij.
Hij weidt tussen de lelies.
Hij
4 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
zo bekoorlijk als Tirsa,
zo lieflijk als Jeruzalem,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw.
5 Wend je ogen af, ze verwarren mij.
Je haar golft als een kudde geiten
die afdaalt van de Gilead.
6 Je tanden zijn als witte schapen:
klaar voor de scheerder
komen ze twee aan twee uit het water,
er ontbreekt er niet een.
7 Als het rood van een granaatappel
fonkelt je lach,
door je sluier heen.
 

8 Ook al zijn er zestig koninginnen,
en wel tachtig bijvrouwen,
meisjes zonder tal,
9 zoals mijn duif is er maar één,
mijn allermooiste is de enige.
De enige voor haar moeder is zij,
een stralend licht voor wie haar baarde.
Alle meisjes die haar zien, prijzen haar gelukkig,
elke koningin, elke bijvrouw juicht haar toe.
Meisjes
10 Wie is zij,
die daar oplicht als de dageraad,
zo helder als de volle maan,
zo stralend als de zon,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw?
Hij
11 Ik ging naar mijn notengaard beneden,
om te kijken naar de bloesems bij de beek,
naar de ranken aan de wijnstok,
de granaatappels in bloei.
12 En plotseling voelde ik mij meegevoerd
als op een wagen van mijn nobel volk. 
Meisjes
7
1 Draai  rond, meisje uit Sulem, draai rond,
draai rond, we willen naar je kijken.
Hij
Kijk! Zie je dat meisje uit Sulem,
zoals ze danst tussen twee reien?
2 Wat zijn je voeten mooi in je sandalen, koningskind!
Je heupen draaien sierlijk rond,
de schepping van een kunstenaar.
3 Je navel is een ronde kom,
die gevuld is met kruidige wijn.
Je buik is een bergje tarwe,
dat door lelies wordt omzoomd.
4 Je borsten zijn als kalfjes,
als de tweeling van een gazelle.
5 Je hals is als een toren van ivoor,
je ogen als de vijvers van Chesbon,
bij de poort van Bat-Rabbim.
Je neus is als een toren van de Libanon,
die uitkijkt over Damascus.
6 Je hoofd rijst op als de Karmel,
omkruld door purperen lokken,
waarin een koning ligt verstrikt.
Hij
7 Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk,
liefde en verrukking, dat ben jij.
8 Als een palm is je gestalte,
je borsten zijn als druiventrossen.
9 Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen,
ik wil zijn bladeren grijpen.
Laten jouw borsten
als trossen van de wijnstok zijn,
je adem als de geur van appels,
10 je tong als zoete wijn
waarin mijn kussen  baden,
mijn lippen en tanden gedompeld zijn. 
Zij
11 Ik ben van mijn lief,
en hij verlangt naar mij.
12 Kom, mijn lief,
laten we het veld in gaan,
en tussen de hennabloemen slapen.
13 Laten we de wijngaard in gaan, morgenvroeg,
en kijken of de wijnstok al is uitgebot,
zijn bloesems al ontloken zijn,
de granaatappel al bloeit.
Daar zal ik jou beminnen.
 

14 De liefdesappels geuren al.
Boven onze poorten hangt een keur van vruchten,
vers geplukte, goed gedroogde.
Mijn lief, ik heb ze bewaard voor jou.
8
1 Was jij maar mijn broertje,
dronk jij nog maar aan mijn moeders borst.
Als ik je dan vond, daar buiten,
dan kuste ik jou,
en niemand zou me verachten.
2 Dan nam ik je mee
en bracht je in mijn moeders huis.
Dat heb ik van haar geleerd.
Ik gaf je kruidige wijn te drinken,
van het sap van mijn granaatappel.
 

3 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
 

4 Meisjes van Jeruzalem, ik bezweer je:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Meisjes
5 Wie is zij,
die daar komt uit de woestijn,
leunend op de arm van haar lief?
Zij
Onder de appelboom wekte ik jou.
Daar kreeg je moeder weeën,
weeën van jou,
daar baarde ze jou.
 

6 Draag mij als een zegel op je hart,
als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde,
beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur,
een laaiende vlam. 
7 Zeeën kunnen haar niet doven,
rivieren spoelen haar niet weg.
Zou een man met al zijn rijkdom liefde willen kopen,
dan werd hij smadelijk veracht.
Broers
8 Wij hebben een zusje,
borsten heeft ze nog niet.
Wat doen we met ons zusje
als de mensen over haar gaan spreken?
9 Was zij een muur,
dan bouwden wij er zilveren kantelen op.
Was zij een deur,
dan sloten wij die met een balk van cederhout.
Zij
10 Ik ben een muur,
mijn borsten zijn als torens.
Zo ben ik in zijn ogen als een stad
die vrede biedt.
11 Salomo bezat een wijngaard in Baäl-Hamon.
Hij stelde er bewakers aan,
duizend sjekel zilver gaf men voor de oogst.
12 Mijn eigen wijngaard blijft van mij.
De duizend sjekel zilver is voor jou, Salomo,
en tweehonderd voor de bewakers.
Hij
13 Jij die in je hof verblijft,
mijn vrienden zijn gespitst op je stem.
Laat míj die horen!
Zij
14 Ga nu van mij weg, mijn lief!
Spring als een gazelle,
als het jong van een hert
over de bergen vol balsemkruid.
 
NBV
 
                    

 

Lees meer...
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl